Dikwijls wordt mij de vraag gesteld of ik ook cosmetische oogcorrecties doe. Mijn antwoord is dan ‘nee’, immers, ik opereer geen oogleden en houd mij voornamelijk bezig met chirurgie in en op het oog zelf, zoals bij staaroperaties en ooglaserbehandelingen. Bij een staaroperatie (deze ingreep doe ik het meest) vervang ik de inwendige troebele lens door een heldere kunstlens. Hinderlijk wazig zicht wordt hierdoor doeltreffend verholpen. In zekere zin praat ik hier over het genezen van een ziek oog. Een therapeutische ingreep dus. Maar blijft het daarbij? Is een staaroperatie daarom alleen maar therapeutisch? Natuurlijk niet, want de functie van het oog wordt hersteld en daarmee is het woord ‘functioneel’ per definitie gerechtvaardigd. Natuurlijk spelen er wellicht ook cosmetische argumenten waar we bij het opereren van staar rekening mee moeten houden. Een brildragende staarpatiënt kan immers de wens hebben om na de operatie zonder bril scherp te kunnen kijken. De keuze van de te implanteren vervangende lens is dan bepalend voor het in vervulling gaan van deze wens. Om cosmetische redenen, bijvoorbeeld als de patiënt de bril ‘stom’ vindt staan, kan de patiënt dit van mij vragen. Immers, de mogelijkheden zijn er en waarom zou een patiënt dat niet verlangen? De functie van het oog, echter, moet dan op een andere, veel hoger, niveau komen. Dat oog moet, bij voorkeur onder alle omstandigheden, perfect en haarscherp kunnen zien zonder hulp van bril en/of contactlenzen.

Dat betekent een aantal dingen: ten eerste moet uitgebreide diagnostiek worden verricht om te beoordelen of een zogenaamde multifocale kunstlens een reële optie is. Bekend is dat deze multifocale kunstlenzen storende neveneffecten kunnen vertonen, zoals strepen en kringen rondom lichtbronnen. Dit kan buitengewoon hinderlijk zijn bij autorijden in het donker. Ook het contrast kan storend afnemen en dan kun je je afvragen of je niet beter af bent met een standaard (monofocale) kunstlens in combinatie met een (lees)bril. Maar dan zonder deze hinderlijke neveneffecten. Een weg terug is er niet zonder (soms aanzienlijke) risico’s. Ten tweede zal geen enkele zorgverzekeraar deze extra functie verhogende optie vergoeden. Dat betekent dat de patiënt zelf zal moeten bijbetalen. En iedereen wil waar voor zijn geld en zal dus de beste kwaliteit verlangen. Wordt die verwachting niet gehaald, dan is de oogarts een potentieel doelwit voor de pijlen van de teleurgestelde patiënt. Wellicht dat dit de reden is dat in Nederland slechts 5-10% een multifocale implantlens geïmplanteerd krijgt.

Dit bovenstaande illustreert het belang van toewijding en onvoorwaardelijke aandacht van de oogarts voor de patiënt. En dat in een tijd waarin de ‘noodzaak’ om de kosten van medisch specialistische zorg tot een minimum beperkt moeten worden, terwijl de medische technologie met sprongen vooruit gaat, de patiënt ‘klant’ is met dito eisen en rechten.

 

Nico Trap, oogarts

Specialist in staar- en laserchirurgie